Terug naar de hei
Wat een reis is het geweest. De vijf mannen van Grandaddy spendeerden twee jaar in de ruimte, probeerden via afgelegen sterren naar een andere wereld, een andere toekomst te klimmen. De reis kende een grimmig verloop. De duisternis van de ruimte vertaalde zich op The Sophtware Slump (2000) in even zo duistere muziek, bol van verdriet, en een immer dreigende Apocalyps. De moderne techniek liet hen dikwijls in de steek tijdens die gepassioneerde zoektocht naar het hogere, het vertrouwde ontvlucht. Computersystemen vielen uit, zelf geschapen en opgevoede robots legden het af tegen emotie, of het onvermogen daar mee om te gaan. En in hun achterhoofd speelde steeds die ene tergende gedachte: we hadden het kristallen meer verdomme nooit moeten verlaten…
2003, zo’n drie jaar na de reis, de vijf mannen zijn al weer enige tijd op aarde teruggekeerd. Naar het hart van het nog wilde Amerika. Ongeschonden zijn ze, maar wel getekend door een expeditie die maar niet tot een goed einde kon worden gebracht. Na vele dagen vol stilzwijgen, overpeinzingen en reflectie besloten de vijf dat het tijd was. Tijd om de uiteengespatte droom van een volmaakt huwelijk tussen mens en machine te doorgronden, haar kansloosheid te aanvaarden en haar in de kast te zetten. Niet als onbereikbaar museumstuk, maar als trofee van een voorbije odyssee.
En zo rolden ze op een goede dag de mouwen van hun houthakkershemden op, en grepen allen een bezem. Losse toetsen van verpletterde toetsenborden, gebroken moederborden, monitorglas, lichaamsdelen van een gestorven robot… alles werd vastberaden van de veranda geschoven. Met de blote enkels in het gras zagen ze hoe voor het eerst in tijden de zon – zij het faal en zwak – aan de horizon verscheen.
De zomer die volgde was bloedheet en eindeloos. De berg lege bierblikjes groeide gestaag, de mannen durfden hun baard weer te laten staan, de voorbije reis werd geanalyseerd en meegenomen als persoonlijke bagage. Het was tijd de instrumenten weer op te pakken. Get in gear. Na enkele weken was daar Sumday, het derde volwaardige studioalbum van Grandaddy.
“Push the lock of the frontdoor,
once your outside you don’t want to hide anymore
light the light on the frontporch,
once it’s on you never want to turn it off anymore.”
Sumday geen conceptalbum, hoe anders een dubbelalbum dan ook mag doen vermoeden (volgens de band zelf is de eerste plaat geschikt om tijdens een feestje op te zetten, en kan de tweede gedraaid worden als je na afloop alleen alle rotzooi moet opruimen). Het is geen Sophtware Slump part II, waar de muziek en teksten in teken stonden van een allesomvattend idee. Toch is het van begin tot eind een album, en geen verzameling nummers.
Muzikaal is het minder experimenteel dan de voorganger, ook zijn er minder extremen. Alle energie die daardoor vrijgekomen is, lijkt gestoken in het perfectioneren van dat waar ze heer en meester in zijn: het maken van drijvende, deinende popmuziek.
‘Our Dying Brains’, in 2000 verschenen op een bonus-cd’tje bij Sophtware Slump, kan met terugwerkende kracht als voorbode worden beschouwd voor wat ging komen. Op Sumday staan veel nummers die een dergelijk onweerstaanbare ‘drive’ kennen (The go in the go for it, Yeah is what we want, OK with my decay). De zangpartijen klinken voller, en harmonieuzer dan ooit. Ze drijven op de voortschrijdende gitaren, die op hun beurt worden ondersteunt door machinaal precieze drums en subtiele digitale toevoegingen, Grandaddy eigen.
Wat het meest opvalt aan Sumday is hoe de band de schijn van achteloosheid op lijkt te werpen, terwijl nadere beluistering geen enkele ruimte tot twijfel laat over hoeveel moeite en creativiteit in de nummers is gestoken. Het up-tempo Now it’s on, en single-kandidaat ‘Stray Dogs and the Chocolate Shake’ (met een even simpel als doeltreffend melodietje dat uit een speelgoedkeyboardje lijkt te komen, zoals ‘hit’AM 180) doen nog denken aan een zekere vrijblijvendheid als op ‘Under the western freeway’, maar zeker op het tweede deel van het album, als men gas terug neemt, reikt de band naar perfectie.
De achteloosheid beneemt je in eerste instantie van een goed zicht op dit album, zet je op het verkeerde been.
Want een vlakke plaat is het allerminst. Er wordt veelvuldig gestrooid met genialiteiten, subtiel verstopt in al hun bescheidenheid: melodieën, wendingen, symfonische trekjes, grapjes. De piano-outro van ‘The go in the go for it’ is pesterig in al z’n genialiteit, net als het kriebelende gitaartje aan het eind van ‘I’m OK with my decay’, de zang in het prachtige ‘Saddest vacant lot in all the world’, de dreiging in ‘The Warming Sun’ dat aanstuurt op een rijk georchestreerd, hoopvol einde. En slotstuk ‘The final push to the sum’, dat bomvol zit met heerlijke samenzang en onverwachte wendingen.
De hele plaat heb je het gevoel: ken ik deze melodie niet ergens van? Niets is gepikt en tegelijkertijd schiet de ene na de andere associatie door je hoofd. Simon & Garfunkel? The Beatles ten tijde van Abbey Road? Air’s Virgin Suicides? Godbetert Alan Parsons dan? Ze doen misschien denken aan klassieke popsongs omdat dat juist het lot is dat ze met zich meedragen. The ‘flow’ op dit album blijft de hele plaat lang fier overeind staan. Sumday is een plaat met een bijzondere samenhang, harmonie en gedrevenheid, geen ontregeling zoals op Sophtware Slump. Een uitzonderlijk geheel.
“Start the fade right now”
De band is weer thuis, zit in schommelstoelen op de backporch, drinkt een biertje (en ach, nog een biertje) en maakt muziek. Een over twee platen gespreide lofzang op de thuisbasis, de hei en het bos, berusting… noem het de simpele geneugten des levens. Maar de achteloosheid die wordt geëtaleerd is slechts schijn, en kan niet verhullen dat de band op Sumday compositorisch aan de volmaaktheid heeft willen raken.
Leg je zweterige hand in die van Jason Lytle, en ga samen met Grandaddy terug naar de hei.
― Gerard (Gerard), Monday, 24 March 2003 10:51 (twenty-two years ago)
Hmm... ik weet het nog niet. Grandaddy kan bij mij nogal wat breken en ik kan me absoluut niet voorstellen dat deze plaat niet ook mijn hartje gaat stelen. Maar toch... eigenlijk miste ik in
Sophtware Slump al gauw het vrijblijvende experiment van
Machines are not She en
A Pretty Mess Up by This One Band.
Under a Western Freeway vond ik eveneens brilliant. Maar hun laatste raakte me een stuk minder (mijn zusje daarentegen kon hem dan wel weer waarderen :-z). En
The Crystal Lake vond ik dan ook nog een van de mindere nummers (tezamen met
Hewletts Daughter: de beide sigles dus :-z). "Terug naar de Hei" klinkt voor mij dan ook eigenlijk niet als een aanbeveling. Liever wil ik terug naar dat die als hangplek voor landlopers fungerende donkere, bedding onder de snelweg. Tenzij het bier er net zo lekker is als
out in the country...
Maar ach, wat zeik ik nu weer!
Our Dying Brains is best een aardig nummer en
The Crystal Lake was voor mij wel even de aanleiding de middag op 3FM defenitief de rug toe te keren en mijn eerste Grandaddy CD te kopen welke uiteindelijk zou uitlopen in een tot dan toe voor mij ongekende muziekliefde en daarmee mijn huidige bescheiden collectie! :O Kom maar op met die plakken!
― Hielke (Hielke), Thursday, 27 March 2003 00:27 (twenty-two years ago)
two weeks pass...
Luister de cd regelmatig, maar vind 'm in vergelijking met The Sophtware Slump (iemand ooit het woordgrapje met sophomore slump opgevallen?) toch een stukkie minder. Ze moesten niet zoveel naar Alan Parsons Project luisteren.
't Lijkt erop dat het een beetje een teruggang is naar Under the Western Freeway, maar het kan zijn dat het kwartje nog moet vallen, dat duurde bij The Sophtware Slump ook erg lang bij mij, en ik moet 'm nog een paar keer goed met de koptelefoon luisteren.
Anyway, ze spelen gelukkig ook op Rock Werchter.
― Henri, Friday, 25 April 2003 04:53 (twenty-two years ago)